Zonnebloem

Ik sta in een veld vol zonnebloemen. De jongen staat voor me. Ik herken hem, met heel mijn hart. Hij was bij Liene in de wei, toen ik haar leerde kennen voor ik zwanger van haar werd. “Ik heet Thom!”, zei hij toen met een geheimzinnige grimas.

“Daar ben je weer!”, zeg ik blij.
“Ik ben er altijd”, zegt de jongen rustig. Ik geef hem een knuffel. Hij verandert in een jong volwassen man, de volwassen variant van de kleine Thom. “Ik dacht altijd dat je mijn kindje zou worden…”, zeg ik zacht. De jongen schudt zijn hoofd.
“Nee, zegt hij, ik ga niet naar de aarde. Ik heb genoeg te doen hier.” Hij wijst om zich heen, naar al die zonnebloemen in het veld.

“Wat doe je hier dan Thom?”, vraag ik. De jongen kijkt me weer aan met die geheimzinnige blik.
“Ik help zielen die wél naar de aarde willen. Ik help hen zich voor te bereiden.” Hij kijkt vol liefde naar de bloemen om hem heen en raakt teder een blad aan.“Kijk Marieke, je zag mij al eerder en dacht daarom dat ik jouw kindje zou worden. Maar ik hoor híer. Ik zaai bloemen en verzorg hen. Zodat ze kunnen ontkiemen, groeien en open kunnen bloeien. Kijk, sommigen zijn al heel ver.” Thom wijst naar een stevige steel met een zonnebloem in knop.

“Dat daar zo’n grote bloem in zit, dat is magisch he?”, verzucht ik.
“Dat is het zeker Marieke. Daar mag je in vertrouwen op wachten. Want hij komt pas, als de knop open kan, als de blaadjes zo geel en goud zijn, dat ze niet meer in de knop passen. Dán gaan ze open, stralen in al hun kracht.”

Ik kijk Thom aan, een brok in mijn keel.
“Hoe mooi is dat… zeg ik, hoe prachtig symbolisch. Thom glimlacht.
“Ik ben er om zielen die weer naar de aarde gaan, voor te bereiden. Kijk. Sommige bloemen groeien vanzelf, en anderen hebben wat ondersteuning nodig. Bijvoorbeeld als ze al heel lang niet meer op aarde zijn geweest. Of als ze ergens bang voor zijn, of als ze nog niet zeker weten welke rol ze gaan aannemen. Dan kijk ik met hen, naar wat er mogelijk is. Naar wat ze willen creëren in het aardse leven.”

Ik kijk hem met grote ogen aan. “Maar eigenlijk gaat het ook over de rest van het leven”, zeg ik glimlachend. Thom knipoogt.
“Dat is inderdaad zo Marieke. Je had een potje met zaadjes, van de zonnebloemen van vorig jaar. Je stopte ze in de grond, gaf hen water, ze ontkiemden en groeiden. Sommige gaf je een stokje ter ondersteuning. En toch… je weet nooit, hoe groot of klein de bloem wordt.”

“En toch, zijn ze allemaal mooi”, zeg ik. “Iets kan eerst geweldig lijken, en daarna toch anders uitpakken dan gedacht. En andersom, kan het natuurlijk ook. Dat er ineens een megabloem voor je neus staat, daar waar je het niet had verwacht.”

Thom haalt zijn schouders op. “Zo is het. Maar weet je wat zo mooi is aan de zonnebloem?” We kijken naar de goudgele bloemen die afsteken tegen de helderblauwe lucht.

“Zonnebloemen draaien met de zon mee. Dat is hoe ze zijn.”

“Ik hou van jou”, zeg ik. Ik richt mijn gezicht op in de richting van de zon en voel de warme, zachte stralen. Ze gaan via mijn kruin, mijn lichaam in… in de richting van mijn hart. En ik glimlach.